In het kort
- Signaalwoorden geven het verband aan tussen zinnen: oorzaak en gevolg, tegenstelling, opsomming, voorwaarde, doel, tijd, vergelijking of conclusie.
- Je hoeft geen lange lijst uit je hoofd te leren. Belangrijker is de vraag: wat doet dit woord met de twee zinnen?
- Na “daarom” en “dus” staat de reden ervóór, na “omdat” en “want” erachter.
- Zinnen met “kortom” of “dus” bevatten vaak de hoofdgedachte van een tekst.
- Op toetsen gaat het om het verband herkennen en het juiste signaalwoord kiezen.
Wat zijn signaalwoorden?
Een tekst is meer dan een rij losse zinnen. Zinnen hangen aan elkaar: de ene zin geeft een reden voor de andere, of zegt juist het tegenovergestelde. Signaalwoorden zijn de woorden die dat verband zichtbaar maken. Ze werken als verkeersborden in een tekst: ze vertellen de lezer welke kant het opgaat.
Neem “Het regende hard. Toch gingen we naar het strand.” Zonder “toch” is het een vreemde zin. Met “toch” snap je meteen dat er iets onverwachts gebeurt. Vergelijk: “Het regende hard. Daarom bleven we thuis.” Dezelfde eerste zin, een ander signaalwoord, en het verhaal gaat een andere kant op.
Signaalwoorden horen bij begrijpend lezen. Een kind dat ze herkent, leest gerichter en hoeft minder te gokken. Ze helpen ook bij redactiesommen: woorden als “samen”, “meer dan” en “per” vertellen welke som je moet maken.
“We kunnen niet buiten spelen, want het plein staat blank.” Welk verband geeft “want”?
- Lees de twee delen los: we kunnen niet buiten spelen / het plein staat blank.
- Vraag: waarom kunnen we niet buiten spelen? Het antwoord staat na “want”: het plein staat blank.
- Het tweede deel is dus de reden voor het eerste. “Want” geeft een reden: oorzaak en gevolg.
Na “want” staat de reden.
Controle: Draai de zin om met “daarom”: “Het plein staat blank. Daarom kunnen we niet buiten spelen.” Klopt het nog? Dan is het oorzaak en gevolg, alleen in een andere volgorde.
Zo leg je het uit aan je kind. Teken twee blokjes met een pijl ertussen, “plein blank → niet buiten spelen”. Laat je kind de pijl zelf zetten. Zeg dan: “Want” staat altijd vóór het blokje waar de pijl begint, “daarom” staat vóór het blokje waar de pijl eindigt. Zo onthoudt het waar de reden staat.
Soorten signaalwoorden: een overzicht
Er zijn heel veel signaalwoorden, maar ze vallen in een paar groepen. Deze signaalwoorden lijst met voorbeelden kun je thuis naast een tekst leggen. Het gaat er niet om dat je kind de lijst uit het hoofd kent, maar dat het bij een woord kan zeggen wat voor verband het geeft.
| Verband | Signaalwoorden | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Opsomming | ook, bovendien, daarnaast, ten eerste, verder | Fietsen is gezond. Bovendien is het goedkoop. |
| Tijd en volgorde | eerst, daarna, vervolgens, toen, ten slotte | Eerst lezen we de vraag, daarna zoeken we terug. |
| Oorzaak en gevolg | omdat, want, doordat, daardoor, dus | Het vroor. Daardoor was het ijs glad. |
| Tegenstelling | maar, toch, echter, hoewel, daarentegen | Het was koud, toch ging ze zwemmen. |
| Voorwaarde | als, mits, tenzij, indien | Je mag mee, als je op tijd bent. |
| Doel | om … te, zodat, opdat | Neem water mee, zodat je geen dorst krijgt. |
| Vergelijking | net als, zoals, evenals, dan | Een egel is groter dan een muis. |
| Voorbeeld | bijvoorbeeld, zoals, onder andere | Veel dieren slapen in de winter, bijvoorbeeld de egel. |
| Conclusie en samenvatting | dus, kortom, samengevat, concluderend | Kortom: lever je oude batterijen in. |
Welke signaalwoorden je kind wanneer leert, verschilt per lesmethode. De lijn is volgens SLO ongeveer zo. In groep 3 en 4 gaat het om tijdwoorden (eerst, daarna) en vraagwoorden. Bij signaalwoorden in groep 5 en signaalwoorden in groep 6 komen voorbeelden, tegenstellingen, oorzaak en gevolg en doel erbij. In groep 7 en groep 8 volgen redenen (want, omdat) en voorwaarden (als … dan). Daar worden de teksten ook langer en verbinden signaalwoorden hele alinea’s.
Vergelijk: “Sara had haar huiswerk af, dus mocht ze gamen.” en “Sara mocht gamen, omdat ze haar huiswerk af had.” Waar staat in elke zin de reden?
- Zin 1: na “dus” staat het gevolg (mocht gamen). De reden staat ervóór: huiswerk af.
- Zin 2: na “omdat” staat de reden (huiswerk af). Het gevolg staat ervóór: mocht gamen.
- Beide zinnen zeggen hetzelfde, maar de reden staat op een andere plek. Het signaalwoord vertelt je waar je moet kijken.
“Dus” staat vóór het gevolg, “omdat” vóór de reden.
Controle: Stel bij beide zinnen de vraag “Waarom mocht Sara gamen?” Het antwoord is in allebei: omdat haar huiswerk af was. Het verband is hetzelfde, alleen de volgorde verschilt.
Zo leg je het uit aan je kind. Maak twee kaartjes, “huiswerk af” en “mag gamen”, en twee kaartjes met “dus” en “omdat”. Laat je kind de zinnen leggen. Het ziet dan dat “dus” tussen reden en gevolg staat, en “omdat” tussen gevolg en reden. Schuiven met kaartjes maakt het verschil zichtbaar.
Signaalwoorden oefenen: probeer het zelf
Signaalwoorden oefenen in zinnen en in een tekst
Eerst bepaal je het verband in losse zinnen, dan kies je het woord dat past, en daarna gebruik je signaalwoorden om vragen over een korte tekst te beantwoorden. Bij een fout krijgt je kind een tip, en na het goede antwoord volgt de uitleg.
Vraag 11 / 3
Kies een antwoord. Daarna zie je de uitleg.
Zo helpen signaalwoorden bij begrijpend lezen
Signaalwoorden zijn geen los rijtje om te stampen. Ze zijn gereedschap bij het lezen. Zo gebruikt je kind ze:
- Bij een waarom-vraag: zoek omdat, want, doordat, daardoor, daarom of dus. Vlak bij zo’n woord staat de reden.
- Bij de hoofdgedachte: zoek kortom, dus, samengevat of concluderend. De zin erna vat de tekst vaak samen.
- Bij een tegenstelling: na maar, toch of echter komt het belangrijke deel. Wie daar stopt met lezen, mist het antwoord.
- Bij een tekst met een mening: ten eerste, bovendien en ook kondigen argumenten aan. “Natuurlijk … maar” kondigt een tegenargument aan.
- Bij een stappenplan of verhaal: eerst, daarna, toen en ten slotte zetten gebeurtenissen op volgorde.
Ook verwijswoorden maken een tekst samenhangend: woorden als dit, dat, hij en daar wijzen terug naar iets wat eerder genoemd is. Signaalwoorden en verwijswoorden samen zijn de lijm van een tekst. Daarom krijgen ze in begrijpend lezen in groep 7 veel aandacht.
Signaalwoorden op toetsen
Op leestoetsen in groep 5 tot en met 8 en op de doorstroomtoets komen signaalwoorden op een paar vaste manieren terug. Als je kind de vraagsoort herkent, weet het wat het moet doen.
| Vraag | Wat je kind doet |
|---|---|
| Welk woord past op de puntjes? | Bepaal eerst het verband tussen de twee zinnen, kies dan het woord dat dat verband geeft. |
| Welk verband is er tussen zin 2 en zin 3? | Zoek het signaalwoord. Geen signaalwoord? Bedenk welk woord je ertussen zou kunnen zetten. |
| Wat is de reden dat …? | Zoek omdat, want, doordat, daarom of dus en lees de zin ervoor of erna. |
| Wat is de functie van alinea 4? | Kijk naar de eerste woorden: “maar” (tegenstelling), “bijvoorbeeld” (voorbeeld), “kortom” (conclusie). |
In groep 8 gaat het vaker om verbanden tussen hele alinea’s, en zijn er langere teksten met meerdere signaalwoorden per zin. Op de pagina begrijpend lezen groep 8 lees je hoe je kind lange teksten aanpakt.
Signaalwoorden oefenen thuis
- Zinnen afmaken. Jij zegt het begin met een signaalwoord: “Ik had honger, dus …”, “Ik had honger, maar …”. Je kind maakt de zin af. Zo voelt het het verschil.
- Signaalwoorden zoeken in de krant. Neem een kort nieuwsbericht en zoek samen de signaalwoorden. Welk verband geven ze?
- Hardop redeneren. Laat je kind iets uitleggen met “want” en “dus”: waarom het een bepaald boek leuk vond, of waarom het mag opblijven.
- Eén soort per week. Neem deze week alleen tegenstellingen (maar, toch, hoewel), volgende week oorzaak en gevolg. Zo blijft het overzichtelijk.
Signaalwoorden oefenen hoeft niet lang te duren. Vijf minuten bij het voorlezen of bij het nieuws is genoeg. Belangrijk is dat je kind steeds de vraag stelt: wat doet dit woord met de zinnen eromheen?

Zo helpt Hippa bij signaalwoorden
- Teksten met vragen over verbanden: oorzaak en gevolg, tegenstelling, opsomming en voorwaarde.
- Voor groep 8 een apart onderdeel signaalwoorden als voorbereiding op de doorstroomtoets.
- Bij een fout antwoord wijst Hippa naar het stukje tekst waar het antwoord staat.
- Het niveau past zich aan per vaardigheid. In het ouderoverzicht zie je wat al goed gaat.
- In hetzelfde abonnement ook spelling, woordenschat en rekenen.
Maandelijks opzegbaar
Per maand
€ 6,99 per maand
Voor 1 kind. Elk extra kind € 4,99 per maand.
Start met Hippa3 maanden gratis + gratis etui
Per jaar
€ 59,99 per jaar
Voor 1 kind. Elk extra kind € 39 per jaar.
Kies het jaarJe betaalt met iDEAL of creditcard. Hippa werkt in de browser op tablet, laptop en computer, en als app op Android.
Veelgestelde vragen
Wat zijn signaalwoorden?
Signaalwoorden zijn woorden die het verband tussen zinnen of alinea’s laten zien. Voorbeelden zijn maar, omdat, daardoor, bovendien, als en kortom. Ze vertellen de lezer of er een reden, een tegenstelling, iets extra’s, een voorwaarde of een conclusie volgt. Zo helpen ze om een tekst beter te begrijpen.
Welke soorten signaalwoorden zijn er?
De belangrijkste soorten zijn opsomming, tijd en volgorde, oorzaak en gevolg, tegenstelling, voorwaarde, doel, vergelijking, voorbeeld en conclusie. Elke soort heeft eigen woorden, zoals bovendien (opsomming), toch (tegenstelling) en kortom (conclusie). Je kind hoeft ze niet allemaal te stampen, als het maar het verband herkent.
In welke groep leren kinderen signaalwoorden?
Tijdwoorden als eerst en daarna komen al in groep 3 en 4 voor. In groep 5 en 6 komen tegenstellingen, oorzaak en gevolg, doel en voorbeelden erbij. In groep 7 en 8 volgen redenen en voorwaarden, en verbinden signaalwoorden ook hele alinea’s. De precieze volgorde verschilt per lesmethode.
Wat is het verschil tussen doordat en daardoor?
Beide geven oorzaak en gevolg, maar ze staan op een andere plek. Na “doordat” komt de oorzaak: “Doordat het vroor, was het glad.” Na “daardoor” komt het gevolg: “Het vroor. Daardoor was het glad.” Laat je kind bij twijfel vragen: wat gebeurde er eerst?
Hoe kan ik signaalwoorden thuis oefenen?
Laat je kind zinnen afmaken die met een signaalwoord beginnen, zoek samen signaalwoorden in een kort nieuwsbericht, en laat het dingen uitleggen met “want” en “dus”. Oefen één soort verband per week. Een paar minuten per dag is genoeg, zolang je kind steeds zegt wat het woord doet.
Zijn signaalwoorden belangrijk voor de doorstroomtoets?
Ja. Bij het onderdeel lezen krijgt je kind vragen over verbanden in teksten, zoals welk woord op de puntjes past of welk verband er tussen twee zinnen is. Ook bij vragen over de hoofdgedachte en het doel van de schrijver helpen signaalwoorden. Hippa heeft daarvoor een apart oefenonderdeel voor groep 8.
Bronnen
- SLO, TULE Nederlands kerndoel 6: signaalwoorden bij tekststructuren per groep
- SLO, TULE Nederlands kerndoel 4: informatieve teksten en tekststructuur
- SLO, Leerstoflijnen lezen beschreven
- Rijksoverheid, Verplichte doorstroomtoets basisonderwijs
Deze pagina is geschreven door het Hippa-team op basis van de SLO-leerlijnen en de genoemde bronnen. Laatst bijgewerkt op 21 oktober 2026. Zie je iets dat niet klopt? Mail ons via hallo@gohippa.com.


