Taal · groep 6 tot en met 8

De verleden tijd: -te, -de of een nieuwe klank?

In de verleden tijd kiest je kind bij een gewoon werkwoord tussen -te en -de. Dat doe je met ’t kofschip: zit de laatste klank van de stam in t, k, f, s, ch of p, dan wordt het -te, anders -de. Sterke werkwoorden doen niet mee: die veranderen van klank, zoals lopen en liep. De meeste fouten in de verleden tijd zitten in een paar vaste valkuilen.

In het kort

  • Gewone (zwakke) werkwoorden krijgen -te of -de. ’t Kofschip beslist welke.
  • Bij werkwoorden op -ven en -zen kijk je naar de v of z: leefde, verhuisde.
  • Eindigt de stam op t of d, dan krijg je een dubbele letter: praatte, landde.
  • Sterke werkwoorden veranderen van klank: lopen wordt liep, kopen wordt kocht.
  • Twijfel je of een werkwoord sterk is? Zeg de vorm hardop: “loopte” klinkt meteen fout.

Wat is de verleden tijd?

De verleden tijd gebruik je voor iets dat voorbij is: “Gisteren fietste ik naar school.” Op school heet die vorm ook de onvoltooid verleden tijd. Daarnaast bestaat de voltooid verleden tijd, met hebben of zijn erbij: “Ik heb gefietst.” Daar gebruik je het voltooid deelwoord, en dat heeft zijn eigen pagina: het voltooid deelwoord. Deze pagina gaat over de vorm met één werkwoord.

Werkwoorden gedragen zich in de verleden tijd op twee manieren. Zwakke werkwoorden blijven hetzelfde klinken en krijgen er -te of -de achter. Sterke werkwoorden veranderen van klinker. Volgens Team Taaladvies bestaan er voor de vorm van sterke werkwoorden geen sluitende regels: die moet je kind gewoon kennen.

Zwakke en sterke werkwoorden in de verleden tijd
Hele werkwoordSoortEnkelvoudMeervoud
werkenzwakwerktewerkten
bellenzwakbeldebelden
lopensterkliepliepen
vindensterkvondvonden

’t Kofschip: zo kies je tussen -te en -de

Waarom ’t kofschip werkt, heeft met je mond te maken. De klanken t, k, f, s, ch en p maak je zonder je stembanden: het zijn stemloze klanken. Na zo’n klank zeg je makkelijk -te. Na alle andere klanken zeg je -de. Onze Taal legt dat uit met stemloos en stemhebbend. Je kind hoeft dat niet te snappen, maar het helpt jou om te zien dat de regel niet zomaar bedacht is.

  1. Zoek de stam: het hele werkwoord zonder -en. Werken → werk, bellen → bel.
  2. Kijk naar de laatste klank van de stam. Zit die in ’t kofschip? Volgens Team Taaladvies telt ook de sj-klank mee: lunchen → lunchte.
  3. Ja: -te. Nee: -de.
  4. Meer personen? Dan komt er een n bij: -ten of -den.
Voorbeeld: “Het vliegtuig (landen) precies op tijd.”

Hoe schrijf je “landen” in de verleden tijd in de zin “Het vliegtuig (landen) precies op tijd”?

  1. De zin gaat over iets dat voorbij is: verleden tijd. Het onderwerp is het vliegtuig: één ding.
  2. De stam van landen is land. De laatste letter is een d.
  3. De d zit niet in ’t kofschip. Dan komt er -de achter: land + de.
  4. De d van de stam blijft staan, dus je krijgt twee d’s: landde.
landstamded: niet in kofschip= landdetwee d’s

Stam + de. Eén d van de stam, één van de verleden tijd.

Controle: Zeg het met een ander werkwoord op -den: “Ik antwoordde meteen.” Ook daar twee d’s. Het patroon is steeds stam + de.

Zo leg je het uit aan je kind. Schrijf de stam “land” op een kaartje en “de” op een tweede kaartje. Leg ze naast elkaar. Je kind ziet dan twee d’s naast elkaar staan. Vraag: “Mag ik er één weghalen?” Nee: de ene hoort bij de stam, de andere bij de verleden tijd.

De verleden tijd oefenen: probeer het zelf

Oefen de verleden tijd

Negen zinnen in drie onderdelen: ’t kofschip, de valkuilen en sterke werkwoorden. Bij een fout krijgt je kind een tip zonder het antwoord. Daarna volgt de uitleg met de stam, de regel en hoe jij het thuis uitlegt.

’t Kofschip · meervoud1 / 3

Welke vorm is goed? “Gisteren … wij met de hele klas naar het strand.”

Kies een antwoord. Daarna zie je de uitleg.

Vijf valkuilen in de verleden tijd

’t Kofschip zelf is niet moeilijk. De fouten ontstaan op een paar vaste plekken. Als je kind deze vijf kent, gaat het meeste goed.

  1. Werkwoorden op -ven en -zen. Je schrijft de stam met een f of s, maar je kijkt naar de v of z van het hele werkwoord. Die zitten niet in ’t kofschip, dus: leven → leefde, verhuizen → verhuisde. Team Taaladvies geeft “zeefden” en “verhuisden” als voorbeeld.
  2. Een stam op t of d. Dan staat er een dubbele letter: praten → praatte, landen → landde. Er gaat geen letter verloren.
  3. Een dubbele medeklinker in het hele werkwoord. In de stam wordt die enkel: knippen → knip → knipte. Dus geen “knippte”.
  4. Een lange klank in de stam. Spelen → speel → speelde. De stam krijgt twee e’s, omdat je de lange klank wilt laten horen.
  5. Werkwoorden die op een klinker eindigen, zoals skiën en taxiën. Die moet je kind leren kennen: hij skiede, wij taxieden.
Voorbeeld: “Mijn oma (leven) vroeger op een boerderij.”

Hoe schrijf je “leven” in de verleden tijd in de zin “Mijn oma (leven) vroeger op een boerderij”?

  1. “Vroeger” betekent: verleden tijd. Het onderwerp is mijn oma: één persoon.
  2. De stam van leven schrijf je als leef. Maar in het hele werkwoord hoor je een v.
  3. Je kijkt naar die v. De v zit niet in ’t kofschip, dus het wordt -de.
  4. leef + de = leefde.
levenje hoort een vvniet in kofschipleef + deleefde

Schrijf leef, maar kies met de v: -de.

Controle: Kijk naar een vergelijkbaar werkwoord: geven is sterk (gaf), maar beven is zwak: “Het hondje beefde.” Ook daar -de na de v.

Zo leg je het uit aan je kind. Laat het hele werkwoord langzaam zeggen: “le-ven”. Vraag welke klank je hoort vóór -en. Dat is de v. Zoek die op in ’t kofschip: niet te vinden. Dus -de, ook al schrijf je in de stam een f. De f is alleen hoe je de stam schrijft, niet hoe je de regel kiest.

Sterke en onregelmatige werkwoorden

Bij sterke werkwoorden helpt ’t kofschip niet. Ze veranderen van klinker: zwemmen → zwom, schrijven → schreef. Schrijf ze zoals je ze hoort, met -en erbij in het meervoud. Er zijn ook onregelmatige werkwoorden die nog meer veranderen, zoals zijn → was en hebben → had. En er zijn gemengde werkwoorden: zwak in de verleden tijd, maar sterk in het voltooid deelwoord, zoals lachen → lachte → gelachen.

Veelgebruikte sterke en onregelmatige werkwoorden
Hele werkwoordVerleden tijd enkelvoudVerleden tijd meervoud
lopenliepliepen
zwemmenzwomzwommen
kopenkochtkochten
brengenbrachtbrachten
denkendachtdachten
zoekenzochtzochten
etenataten
hebbenhadhadden
zijnwaswaren

Jonge kinderen zeggen soms “loopte” of “koopte”. Dat is een slimme fout: ze passen de regel voor zwakke werkwoorden toe. Verbeter het rustig door de goede vorm te herhalen: “Ja, jij liep naar de winkel.” Met lezen en praten komen de sterke vormen vanzelf.

De verleden tijd per groep

De verleden tijd hoort bij de werkwoordspelling, die volgens SLO vooral in groep 5 en 6 wordt aangeleerd en in groep 7 en 8 verder geoefend. De precieze volgorde verschilt per methode. Deze tabel geeft een globaal beeld.

Globale opbouw van de verleden tijd
GroepWat er meestal aan bod komt
Verleden tijd groep 6Zwakke werkwoorden met ’t kofschip; enkelvoud en meervoud (-te, -ten, -de, -den)
Verleden tijd groep 7Stammen op t en d (dubbele letter); werkwoorden op -ven en -zen; de bekendste sterke werkwoorden
Groep 8Alles door elkaar in lange zinnen; leenwerkwoorden; werkwoordspelling in de doorstroomtoets

In groep 7 komt de verleden tijd terug in de taalverzorging van de toetsen in groep 7, en in groep 8 in de doorstroomtoets. Daar zijn het vaak meerkeuzevragen met drie bijna gelijke vormen. Juist dan helpt het om de stappen vast te houden in plaats van te kiezen wat er “goed uitziet”.

De verleden tijd oefenen thuis: vijf tips

  • Vertel over gisteren. Laat je kind aan tafel drie dingen opschrijven die het gisteren deed. Daarna controleren jullie samen de werkwoorden.
  • Maak een kofschip-kaartje. Schrijf t, k, f, s, ch en p op een kaartje bij het huiswerk. Na een paar weken is het niet meer nodig.
  • Verzamel de valkuilen. Houd een lijstje bij met werkwoorden die misgingen, zoals verhuizen of landen. Herhaal die lijst één keer per week.
  • Lees en praat. Sterke werkwoorden leer je door ze vaak te horen. Voorlezen en samen verhalen vertellen helpt meer dan rijtjes stampen.
  • Eén regel tegelijk. Oefen eerst alleen -te en -de. Neem de valkuilen pas als dat vanzelf gaat.

Zo helpt Hippa bij de verleden tijd

  • Je kind oefent de verleden tijd van zwakke werkwoorden met ’t kofschip, in korte zinnen.
  • Sterke en onregelmatige werkwoorden komen in eigen oefeningen terug, met zinnen in context.
  • Gaat het mis, dan legt Hippa de regel uit met het werkwoord uit die zin.
  • Het niveau groeit per vaardigheid mee. In het ouderoverzicht zie je wat al goed gaat.
  • In hetzelfde abonnement oefent je kind ook spelling, begrijpend lezen en rekenen.

Maandelijks opzegbaar

Per maand

€ 6,99 per maand

Voor 1 kind. Elk extra kind € 4,99 per maand.

Start met Hippa

3 maanden gratis + gratis etui

Per jaar

€ 59,99 per jaar

Voor 1 kind. Elk extra kind € 39 per jaar.

Kies het jaar

Je betaalt met iDEAL of creditcard. Hippa werkt in de browser op tablet, laptop en computer, en als app op Android.

Veelgestelde vragen

Hoe werkt ’t kofschip in de verleden tijd?

Zoek de stam van het werkwoord en kijk naar de laatste klank. Zit die in ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan krijgt de verleden tijd -te, bij meer personen -ten. Zo niet, dan -de of -den. Werken wordt werkte, bellen wordt belde.

Waarom is het verhuisde en niet verhuiste?

In het hele werkwoord verhuizen hoor je een z. De stam schrijf je wel met een s (verhuis), maar voor de regel kijk je naar de z. Die zit niet in ’t kofschip, dus wordt het -de: verhuisde. Hetzelfde geldt voor leven (leefde) en reizen (reisde).

Wat zijn sterke werkwoorden?

Sterke werkwoorden veranderen in de verleden tijd van klinker in plaats van -te of -de te krijgen: lopen wordt liep, zwemmen wordt zwom, vinden wordt vond. Er is geen regel voor de nieuwe klank. Die moet je kind leren kennen, vooral door ze vaak te horen en te lezen.

Waarom staan er twee d’s in landde?

De stam van landen is land, met een d. In de verleden tijd komt er -de achter, omdat de d niet in ’t kofschip zit. Land + de wordt landde. De ene d hoort bij de stam, de andere bij de verleden tijd. Bij praten krijg je zo twee t’s: praatte.

Wat is het verschil tussen de verleden tijd en het voltooid deelwoord?

De verleden tijd is één werkwoord dat de persoonsvorm is: “Ik fietste.” Het voltooid deelwoord staat naast hebben of zijn en begint vaak met ge-: “Ik heb gefietst.” Voor beide gebruik je ’t kofschip, maar ze worden anders geschreven.

In welke groep leren kinderen de verleden tijd?

Meestal in groep 6, met ’t kofschip en zwakke werkwoorden. In groep 7 komen de valkuilen erbij: stammen op t en d, werkwoorden op -ven en -zen en meer sterke werkwoorden. In groep 8 wordt alles herhaald voor de doorstroomtoets. De volgorde verschilt per methode.

Bronnen

Deze pagina is geschreven door het Hippa-team op basis van de SLO-leerlijnen en de genoemde bronnen. Laatst bijgewerkt op 21 oktober 2026. Zie je iets dat niet klopt? Mail ons via hallo@gohippa.com.

€ 6,99 per maandMaandelijks opzegbaar

Aanmelden