In het kort
- Bij werkwoordspelling hoor je het verschil tussen d, t en dt niet. Een vaste regel helpt wel.
- Tegenwoordige tijd: ik = stam, hij = stam + t. Staat jij achter het werkwoord, dan valt de t weg.
- Verleden tijd: zit de laatste letter van de stam in ’t kofschip, dan -te; anders -de.
- Voltooid deelwoord: dezelfde regel, met ge- ervoor en een t of d erachter.
- Oefen kort en vaak, met zinnen uit het dagelijks leven, en laat je kind de stappen hardop zeggen.
Waarom werkwoordspelling zo lastig is
Bij de meeste woorden helpt het om goed te luisteren. Bij werkwoorden werkt dat niet. “Hij vindt”, “hij vind” en “hij vint” klinken precies hetzelfde. Ook “verbrande” en “verbrandde” hoor je niet uit elkaar. Daarom leren kinderen op school geen gehoor, maar regels. Volgens de kerndoelen van SLO kennen kinderen aan het eind van de basisschool “regels voor het spellen van werkwoorden”.
De regels zelf zijn niet moeilijk. Lastig is dat je kind ze in de goede volgorde moet toepassen: eerst bepalen welk woord de persoonsvorm is, dan in welke tijd de zin staat, wie het onderwerp is, wat de stam is, en pas dán welke letter erachter komt. Slaat je kind een stap over, dan gaat het mis. Kinderen die “gewoon goed lezen” maken daarom toch d/t-fouten. Ze kennen de regels, maar gebruiken ze niet elke keer.
Het stappenplan: zo kies je tussen d, t en dt
Op school heet het soms anders, maar het stappenplan voor werkwoordspelling komt bijna altijd neer op deze vijf stappen. Gebruikt de school van je kind een eigen kaart of stappenplan, gebruik dan dat. Dan leert je kind thuis en op school hetzelfde.
- Zoek de persoonsvorm. Maak van de zin een vraag. Het werkwoord dat dan vooraan komt, is de persoonsvorm. “Mijn zus rijdt naar haar werk” wordt “Rijdt mijn zus naar haar werk?”
- Bepaal de tijd. Gaat het over nu (tegenwoordige tijd) of over vroeger (verleden tijd)? Woorden als gisteren, vorige week en toen helpen.
- Zoek het onderwerp. Wie of wat doet het? Is dat ik, jij, hij, wij? Kun je het vervangen door hij of zij?
- Zoek de stam. Neem het hele werkwoord en haal -en eraf: rijden → rijd, vinden → vind. Dubbele medeklinkers worden enkel (bakken → bak), en een v of z wordt een f of s (verven → verf, reizen → reis).
- Pas de regel toe. Tegenwoordige tijd: stam + t bij jij, u, hij, zij en het. Verleden tijd en voltooid deelwoord: ’t kofschip.
| Onderwerp | Regel | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ik | stam | ik vind, ik word |
| jij / je (vóór het werkwoord), u | stam + t | jij vindt, u wordt |
| jij / je (achter het werkwoord) | stam | vind jij?, word je? |
| hij, zij, het | stam + t | hij vindt, zij wordt |
| wij, jullie, zij (meervoud) | hele werkwoord | wij vinden, zij worden |
Hoe schrijf je het werkwoord in de zin “Mijn zus (rijden) elke dag naar haar werk”?
- Persoonsvorm: maak er een vraag van. “… mijn zus elke dag naar haar werk?” Het werkwoord rijden komt vooraan: dat is de persoonsvorm.
- Tijd: “elke dag” gaat over nu. Het is tegenwoordige tijd.
- Onderwerp: wie rijdt? Mijn zus. Dat kun je vervangen door zij (één persoon).
- Stam: rijden zonder -en is rijd. Bij zij komt er een t achter: rijd + t = rijdt.
Stam + t: rijdt. De d blijft, de t komt erbij.
Controle: Controleer het met de loop-truc: “Mijn zus loopt elke dag naar haar werk.” Bij lopen hoor je een t. Dus ook bij rijden komt er een t achter de stam.
Zo leg je het uit aan je kind. Schrijf de stam “rijd” op een kaartje en een losse t op een tweede kaartje. Zeg de zin met ik (“ik rijd”) en met zij (“zij rijdt”), en laat je kind steeds kiezen of het tweede kaartje erbij moet. Zo ziet het dat de d van de stam altijd blijft liggen.
Werkwoordspelling oefenen: probeer het zelf
Oefen d of t met het stappenplan
Negen zinnen in drie onderdelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord. Bij een fout antwoord krijgt je kind een tip, zonder het antwoord. Daarna volgt de uitleg met de stappen, een trucje en hoe jij het thuis uitlegt.
Tegenwoordige tijd · stam + t1 / 3
Kies een antwoord. Daarna zie je de uitleg.
Tegenwoordige tijd: stam + t, en de uitzondering bij jij
De handigste hulp bij de tegenwoordige tijd is de loop-truc. Vervang het lastige werkwoord door “lopen” en luister. “Hij loopt” heeft een t, dus “hij vindt” ook. “Ik loop” heeft geen t, dus “ik vind” ook niet. Lopen is een goed testwerkwoord, omdat je de t daar wél hoort.
Een paar valkuilen komen steeds terug:
- Jij achter het werkwoord. “Jij vindt” krijgt een t, maar “vind jij?” niet. Die uitzondering geldt alleen voor jij en je. “Vindt hij?” houdt de t, want bij hij is het altijd stam + t.
- Je als jouw. In “Vindt je moeder het goed?” is “je” geen onderwerp, maar betekent het “jouw”. Het onderwerp is je moeder (zij), dus komt de t terug. Test: vervang “je” door “jouw”. Kan dat, dan blijft de t staan.
- Een stam op d. Bij werkwoorden als worden, vinden, houden en antwoorden eindigt de stam op een d. Bij hij komt er een t bij: hij wordt, hij houdt. Bij ik niet: ik word.
- Een stam op t. Bij zitten, praten en eten eindigt de stam al op een t. Er komt geen tweede t bij: hij zit, zij praat, het eet.
De verleden tijd: ’t kofschip (en ’t ex-kofschip)
In de verleden tijd kiezen kinderen bij een gewoon (zwak) werkwoord tussen -te en -de. Daarvoor gebruiken ze ’t kofschip: de letters t, k, f, s, ch en p. Zit de laatste letter van de stam in ’t kofschip, dan wordt het -te (meervoud -ten). Zo niet, dan -de (meervoud -den). Sommige scholen gebruiken ’t ex-kofschip of ’t fokschaap; dat zijn dezelfde letters, soms met de x erbij (faxen → faxte).
| Hele werkwoord | Stam | Laatste letter in ’t kofschip? | Verleden tijd |
|---|---|---|---|
| bakken | bak | ja (k) | bakte, bakten |
| poetsen | poets | ja (s) | poetste, poetsten |
| spelen | speel | nee (l) | speelde, speelden |
| praten | praat | ja (t) | praatte, praatten |
| antwoorden | antwoord | nee (d) | antwoordde, antwoordden |
| verven | verf | nee: je kijkt naar de v | verfde, verfden |
De lastigste regel zit onderaan de tabel. Bij werkwoorden die eindigen op -ven of -zen, zoals verven, leven, reizen en verhuizen, schrijf je de stam met een f of s. Toch kijk je naar de v of z van het hele werkwoord, want die klank hoor je aan het eind van de stam. De v en z zitten niet in ’t kofschip, dus wordt het -de: verfde, leefde, reisde, verhuisde.
Let ook op de stammen op t of d. Daar krijg je in de verleden tijd een dubbele t of dubbele d: hij praatte, zij antwoordde. Dat ziet er vreemd uit, maar het is gewoon stam + te of stam + de.
Hoe schrijf je het werkwoord in de zin “Hij (reizen) vorige zomer naar Italië”?
- Tijd: “vorige zomer” is voorbij. Het is verleden tijd.
- Onderwerp: hij, één persoon. Er komt dus geen n achter.
- Stam: reizen zonder -en. De z wordt een s: reis. Maar in het hele werkwoord hoor je een z.
- De z zit niet in ’t kofschip. Dan wordt het -de: reis + de = reisde.
Je schrijft “reis”, maar je kijkt naar de z van reizen.
Controle: Controleer het met een ander -zen-werkwoord: “Wij verhuisden vorig jaar.” Ook daar -de, omdat je naar de z van verhuizen kijkt. Het patroon klopt.
Zo leg je het uit aan je kind. Laat het eerst het hele werkwoord langzaam zeggen: “rei-zen”. Vraag: “Welke letter hoor je vóór -en?” Je kind hoort een z. Zoek samen op of de z in ’t kofschip staat. Nee? Dan wordt het -de, ook al schrijf je de stam met een s.
Werkt ’t kofschip niet, dan gaat het meestal om een sterk werkwoord. Die veranderen van klank in de verleden tijd: lopen → liep, vinden → vond, slapen → sliep. Bij sterke werkwoorden schrijf je wat je hoort. Die vormen moet je kind gewoon kennen, en dat lukt het best door ze vaak in zinnen te gebruiken.
Het voltooid deelwoord: ge- … -t of ge- … -d
Het voltooid deelwoord staat vaak achter hebben of zijn: “Ik heb gefietst”, “Het is gebeurd”. Bij gewone werkwoorden gebruik je weer ’t kofschip. Zit de laatste letter van de stam erin, dan komt er een t achter (gepoetst, gefietst). Zo niet, dan een d (gespeeld, geverfd). Je kind kan het ook hóren door het woord langer te maken: “het gepoetste huis” (t), “het gespeelde spel” (d).
- Geen ge- ervoor bij werkwoorden die beginnen met be-, ge-, her-, ont- of ver-: betaald, verbrand, ontdekt.
- Gebeurd of gebeurt? “Het is gisteren gebeurd” (voltooid deelwoord, na is). “Het gebeurt elke dag” (persoonsvorm, stam + t). Zoek eerst de persoonsvorm.
- Vóór een zelfstandig naamwoord komt er een e achter het voltooid deelwoord: de verbrande taart, de gepoetste schoenen. Verwar het niet met de verleden tijd: “Hij verbrandde de taart.”
- Sterke werkwoorden krijgen vaak -en: geslapen, gevonden, gelopen. Daar werkt ’t kofschip niet.
Schrijf je in de zin “Het ongeluk is gisteren (gebeuren)” gebeurd of gebeurt?
- Persoonsvorm: maak er een vraag van. “Is het ongeluk gisteren …?” Het woord “is” komt vooraan. Dat is de persoonsvorm, niet gebeuren.
- Een werkwoord dat samen met is of heeft een voltooide handeling beschrijft, is een voltooid deelwoord.
- Stam van gebeuren: gebeur. De laatste letter is een r. Die zit niet in ’t kofschip.
- Dan eindigt het voltooid deelwoord op een d. Gebeuren begint al met ge-, dus er komt niets voor: gebeurd.
Het voltooid deelwoord: gebeurd, met een d.
Controle: Maak het woord langer: “het gebeurde ongeluk”. Je hoort een d. Dat klopt met gebeurd. En de zin “Het gebeurt elke dag” heeft een t, omdat “gebeurt” daar de persoonsvorm is.
Zo leg je het uit aan je kind. Schrijf twee zinnen onder elkaar: “Het gebeurt nu” en “Het is gebeurd”. Laat je kind in beide zinnen de persoonsvorm omcirkelen met de vraag-truc. In de eerste zin is dat gebeurt (stam + t), in de tweede zin is het “is”. Dan is gebeurd het voltooid deelwoord.
Werkwoordspelling per groep: wat leert je kind wanneer?
Elke lesmethode heeft een eigen volgorde, maar de opbouw lijkt overal op elkaar. Volgens SLO horen de regels voor werkwoordspelling bij groep 5 en 6, en worden ze in groep 7 en 8 verder uitgebreid en geoefend. Deze tabel geeft een globaal beeld. Vraag de leerkracht wat er dit jaar aan bod komt.
| Groep | Wat er meestal aan bod komt |
|---|---|
| Groep 5 | De persoonsvorm en de stam herkennen; ik en hij in de tegenwoordige tijd (stam, stam + t) |
| Werkwoordspelling groep 6 | De jij-vorm, ook achter het werkwoord; de verleden tijd van gewone werkwoorden met ’t kofschip; de eerste voltooide deelwoorden |
| Werkwoordspelling groep 7 | Sterke werkwoorden; stammen op d en t (antwoordde, praatte); werkwoorden op -ven en -zen; gebeurd of gebeurt |
| Werkwoordspelling groep 8 | Alles door elkaar in lange zinnen; het voltooid deelwoord vóór een zelfstandig naamwoord; leenwerkwoorden zoals mailen (mailde, gemaild); de doorstroomtoets |
In groep 8 komt werkwoordspelling terug in het onderdeel taalverzorging van de doorstroomtoets. De vragen zijn daar vaak meerkeuze: welke zin is goed geschreven? Juist dan helpt het stappenplan, omdat de drie antwoorden er bijna hetzelfde uitzien. Wil je meer weten over die toets, lees dan ook de pagina over de IEP-toets.
Werkwoordspelling oefenen thuis: vijf tips
- Kort en vaak. Vijf zinnen per dag werken beter dan een heel werkblad op zondag. Herhaling zorgt ervoor dat het stappenplan vanzelf gaat.
- Zinnen uit jullie eigen dag. “Papa (koken) gisteren pasta.” Zulke zinnen zijn leuker en blijven beter hangen dan losse rijtjes.
- Hardop denken. Laat je kind bij elke zin de stappen zeggen: “De persoonsvorm is…, de tijd is…, het onderwerp is…”. Zo hoor je waar het misgaat.
- Fouten zijn informatie. Kijk bij een fout welke stap werd overgeslagen. Was het de tijd, het onderwerp of de stam? Oefen dan vooral die stap.
- Eén regel tegelijk. Oefen eerst alleen ’t kofschip, en mix pas als dat zit. Meer leesoefening vind je bij woordenschat en begrijpend lezen in groep 8.

Zo helpt Hippa bij werkwoordspelling
- Werkwoorden in vaste stappen: eerst stam + t, daarna de verleden tijd en het voltooid deelwoord.
- Oefenzinnen in context, ook met sterke en onregelmatige werkwoorden.
- Gaat het mis, dan legt Hippa de regel uit met het werkwoord uit die zin.
- Het niveau groeit per vaardigheid mee. In het ouderoverzicht zie je wat al goed gaat.
- In hetzelfde abonnement oefent je kind ook spelling, begrijpend lezen en rekenen.
Maandelijks opzegbaar
Per maand
€ 6,99 per maand
Voor 1 kind. Elk extra kind € 4,99 per maand.
Start met Hippa3 maanden gratis + gratis etui
Per jaar
€ 59,99 per jaar
Voor 1 kind. Elk extra kind € 39 per jaar.
Kies het jaarJe betaalt met iDEAL of creditcard. Hippa werkt in de browser op tablet, laptop en computer, en als app op Android.
Veelgestelde vragen
Wat is ’t kofschip?
’t Kofschip is een ezelsbruggetje met de letters t, k, f, s, ch en p. Zit de laatste letter van de stam in ’t kofschip, dan krijgt de verleden tijd -te en het voltooid deelwoord een t: werkte, gewerkt. Zo niet, dan -de en een d: speelde, gespeeld. Let op bij werkwoorden op -ven en -zen: daar kijk je naar de v of z.
Hoe weet je of het d of t is?
Gebruik het stappenplan. Zoek de persoonsvorm, de tijd, het onderwerp en de stam. In de tegenwoordige tijd komt er bij jij, u, hij, zij en het een t achter de stam, ook als de stam al op een d eindigt: hij wordt. In de verleden tijd en bij het voltooid deelwoord kies je met ’t kofschip. Op je gehoor kun je niet vertrouwen.
Waarom schrijf je “vind jij” zonder t?
Dat is een uitzondering. Bij jij komt er een t achter de stam (jij vindt), maar als jij achter het werkwoord staat, valt die t weg: vind jij, word jij, loop jij. Dat geldt alleen voor jij en je als onderwerp. In “Vindt je moeder het goed?” betekent je “jouw”, en dan blijft de t staan.
Wanneer leren kinderen werkwoordspelling?
De basis komt meestal in groep 5 en 6: de persoonsvorm, stam + t en de verleden tijd met ’t kofschip. In groep 7 en 8 komen de lastigere vormen erbij, zoals sterke werkwoorden en het voltooid deelwoord vóór een zelfstandig naamwoord. De precieze volgorde verschilt per lesmethode.
Wat is het verschil tussen gebeurd en gebeurt?
“Gebeurt” is de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd: “Het gebeurt elke dag” (stam + t). “Gebeurd” is het voltooid deelwoord: “Het is gisteren gebeurd”. Zoek dus eerst de persoonsvorm. Staat er al een persoonsvorm zoals is of heeft, dan is het andere werkwoord het voltooid deelwoord, en dat kies je met ’t kofschip.
Hoe vaak moet je werkwoordspelling oefenen?
Liever vijf minuten per dag dan een uur per week. Werkwoordspelling gaat pas goed als het stappenplan automatisch gaat, en dat vraagt herhaling. Begin met één regel tegelijk en mix de regels pas als ze los goed gaan.
Bronnen
- SLO, TULE Nederlands kerndoel 11: taalbeschouwing en spelling
- Team Taaladvies Vlaanderen, Spelling van de verleden tijd
- Team Taaladvies Vlaanderen, Spelling van het voltooid deelwoord
- Onze Taal, Verleden tijd: stemhebbend en stemloos
Deze pagina is geschreven door het Hippa-team op basis van de SLO-leerlijnen en de genoemde bronnen. Laatst bijgewerkt op 20 oktober 2026. Zie je iets dat niet klopt? Mail ons via hallo@gohippa.com.


