Taal · groep 3 tot en met 8

Woordenschat oefenen: nieuwe woorden die echt blijven hangen

Woordenschat oefenen werkt het best met woorden uit een verhaal, een gesprek of een tekst van school, niet met losse lijstjes. Leg een nieuw woord uit met een voorbeeld of plaatje, gebruik het daarna een paar dagen vaker en vraag er later naar. Leer je kind ook zelf de betekenis te vinden: uit de zin, uit de woorddelen en door een uitdrukking te herkennen.

In het kort

  • Woorden kennen is de basis van begrijpend lezen: wie te veel woorden mist, raakt de draad van de tekst kwijt.
  • Een woord leer je in vier stappen: een context, de betekenis, vaak herhalen en later controleren.
  • Een onbekend woord ontrafel je met de zin eromheen, de woorddelen of een woordenboek.
  • Uitdrukkingen betekenen iets anders dan de losse woorden: leer je kind letterlijk en figuurlijk onderscheiden.
  • Voorlezen en samen praten blijven belangrijk, ook als je kind zelf al goed leest.

Waarom woordenschat zo belangrijk is

Woorden zijn meer dan losse labels. Elk woord is gekoppeld aan een pakketje kennis. Bij het woord “vulkaan” horen ook lava, een krater en een uitbarsting. Wie die woorden mist, hoort de uitleg van de juf wel, maar begrijpt hem niet. Woordenschatexpert Marianne Verhallen zegt het zo: wie meer woorden kent, heeft meer pakketjes kennis om op voort te bouwen.

Daarom hangt woordenschat sterk samen met [begrijpend lezen](/oefenen/begrijpend-lezen). In een tekst van groep 6 of 7 staan veel woorden die kinderen in gesprekken thuis bijna nooit horen: “bovendien”, “gevolg”, “invloed”, “ontstaan”. Dat noemen leerkrachten schooltaal. Mist je kind er te veel, dan kan het een tekst technisch goed lezen en toch niet snappen waar hij over gaat. Ook bij redactiesommen gaat het vaak mis door één onbekend woord, zoals “per stuk” of “verdubbelen”.

Woordenschat per groep: wat leert je kind wanneer?

Elke basisschool werkt aan woordenschat, van groep 1 tot en met 8. Het landelijke curriculuminstituut SLO beschrijft per fase wat kinderen leren. Grof gezegd verschuift het van woorden leren naar zelf woorden ontdekken:

Woordenschat per groep (gebaseerd op SLO, TULE Nederlands kerndoel 12)
GroepWat je kind leertZo oefen je thuis
Groep 1–2Een basiswoordenschat; woorden uit verhalen afleiden; begrippen als voor, achter, begin en eindVoorlezen, plaatjes benoemen, “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet”
Woordenschat groep 3 en woordenschat groep 4Eigen woordenschat opbouwen; tegenstellingen en synoniemen; eenvoudig figuurlijk taalgebruikWoorden uit het voorleesboek uitleggen en de week erna weer gebruiken
Woordenschat groep 5 en woordenschat groep 6Onbekende woorden herkennen; de betekenis afleiden uit de tekst; opzoeken in een woordenboek; figuurlijke taal begrijpenSamen een woord uit de zin raden, daarna opzoeken of het klopt
Woordenschat groep 7 en woordenschat groep 8Zelfstandig woordenschat uitbreiden; woorden buiten de context uitleggen; zelf figuurlijke taal gebruikenNieuwsberichten samen lezen en de moeilijke woorden bespreken

In de bovenbouw komt woordenschat ook terug in de doorstroomtoets van groep 8: bij lezen moet je kind de betekenis van een woord uit de tekst kunnen halen. Lees daarover meer bij begrijpend lezen in groep 8.

Zo leer je een nieuw woord: de viertakt in vier stappen

Veel scholen werken met de viertakt van Van den Nulft en Verhallen. Die bestaat uit vier stappen. Je kunt ze thuis precies zo gebruiken, in een paar minuten per woord:

  1. Voorbewerken: zorg voor een situatie waarin het woord past. Een verhaal, een plaatje of iets wat jullie net hebben meegemaakt. Een woord dat bij iets echts hoort, onthoud je beter.
  2. Semantiseren: maak de betekenis duidelijk. Doe het voor, laat een plaatje zien of leg het uit met woorden die je kind al kent. Noem ook een voorbeeld en een tegenvoorbeeld.
  3. Consolideren: gebruik het woord vaker, een paar dagen lang. In gesprekken, in een spelletje, in een zin aan tafel. Eén keer horen is niet genoeg om een woord te onthouden.
  4. Controleren: vraag er na een paar dagen naar. Kan je kind het woord uitleggen of zelf in een zin gebruiken? Dan zit het erin.
Voorbeeld: het woord “nieuwsgierig” in vier stappen

In het voorleesboek staat: “De kat was zo nieuwsgierig dat hij in elke doos moest kijken.” Je kind vraagt wat “nieuwsgierig” betekent.

  1. Voorbewerken: lees de zin nog een keer en kijk samen naar het plaatje van de kat bij de dozen.
  2. Semantiseren: knip het woord in stukjes, nieuws + gierig. Wie nieuwsgierig is, wil heel graag nieuwe dingen weten of zien. Doe het voor: kijk heel nieuwsgierig in een tas.
  3. Consolideren: gebruik het woord deze week nog een paar keer. “Ben je nieuwsgierig wat we eten?” “Die vogel is nieuwsgierig, hij komt steeds dichterbij.”
  4. Controleren: vraag na een paar dagen: “Weet je nog wat nieuwsgierig betekent? Wanneer was jij nieuwsgierig?”
nieuwsiets nieuwsgierigheel graag willen

Wie nieuwsgierig is, wil heel graag nieuwe dingen weten.

Controle: Je kind kent het woord als het zelf een voorbeeld kan bedenken. “Ik was nieuwsgierig naar mijn verjaardagscadeau.” Een voorbeeld uit het eigen leven laat zien dat het woord echt begrepen is.

Zo leg je het uit aan je kind. Begin bij iets wat je kind kent. “Weet je nog dat je niet kon wachten om je cadeau open te maken? Je wilde zó graag weten wat erin zat. Dat heet nieuwsgierig.” Laat je kind daarna zelf vertellen wanneer het nieuwsgierig was. Een eigen herinnering maakt een woord sterk.

Woordenschat oefenen: probeer het zelf

Oefen drie manieren om een onbekend woord te snappen

Kies een manier: betekenis uit de zin, woorddelen of uitdrukkingen. Bij een fout antwoord krijgt je kind een tip die laat zien waar het moet zoeken. Na het goede antwoord volgt de uitleg, met een zin om het thuis uit te leggen.

Betekenis uit de zin1 / 3

Opa was zo uitgeput na de lange wandeling, dat hij meteen in slaap viel op de bank. Wat betekent “uitgeput”?

Kies een antwoord. Daarna zie je de uitleg.

Een onbekend woord? Drie manieren om de betekenis te vinden

Je kind kan niet alle woorden van tevoren leren. Daarom is het minstens zo belangrijk dat het leert wat het doet bij een woord dat het niet kent. Dat zijn de drie manieren die je kind op school ook leert:

1. Kijk naar de zin eromheen

De woorden rond een onbekend woord geven vaak aanwijzingen. Een oorzaak, een gevolg, een tegenstelling of een voorbeeld. In “Opa was zo uitgeput dat hij meteen in slaap viel” vertelt het gevolg wat “uitgeput” betekent. Lees ook altijd de volgende zin: schrijvers leggen een moeilijk woord vaak daar uit.

2. Knip het woord in stukjes

Veel lange woorden zijn gebouwd uit stukjes die je kind al kent. Een samenstelling bestaat uit twee woorden; het laatste woord vertelt wat het is. Een fietsenmaker is een persoon, een fietsenstalling is een plek. Voorvoegsels en achtervoegsels veranderen de betekenis: on- maakt iets het tegenovergestelde, -loos betekent zonder, -baar betekent dat het kan.

Voorbeeld: het woord “onbetaalbaar” ontrafelen

In een tekst staat: “Een huis in het centrum van de stad is voor veel gezinnen onbetaalbaar.” Wat betekent onbetaalbaar?

  1. Knip het woord in stukjes: on + betaal + baar.
  2. Betaal ken je van betalen. -baar betekent dat het kan: betaalbaar is “je kunt het betalen”.
  3. On- maakt het tegenovergestelde: onbetaalbaar is “je kunt het niet betalen”, want het is te duur.
onnietbetaalbetalenbaarkan

on + betaal + baar: je kunt het niet betalen.

Controle: Zet de betekenis terug in de zin: “Een huis in het centrum is voor veel gezinnen te duur om te betalen.” Dat past bij de rest van de tekst.

Zo leg je het uit aan je kind. Schrijf het woord groot op en zet streepjes tussen de stukjes. Vraag bij elk stukje: “Ken je een ander woord met dit stukje?” Bij -baar denkt je kind misschien aan eetbaar of drinkbaar. Zo ziet het dat een moeilijk woord eigenlijk drie makkelijke woorden zijn.

3. Zoek het op

Lukt het niet met de zin en de stukjes, zoek het woord dan samen op in een kinderwoordenboek. Laat je kind de betekenis daarna in eigen woorden zeggen. Pas dan weet je zeker dat het begrepen is.

Uitdrukkingen en figuurlijke taal

Een uitdrukking betekent iets anders dan de losse woorden. Wie “twee linkerhanden heeft”, is onhandig. Wie “de kat uit de boom kijkt”, wacht eerst af. Voor kinderen is dat lastig, want letterlijk klopt het niet. Vanaf groep 5 en 6 komt figuurlijke taal steeds vaker voor in teksten, en in groep 7 en 8 moeten kinderen uitdrukkingen ook zelf kunnen gebruiken.

Uitdrukkingen die kinderen vaak tegenkomen
UitdrukkingWat het betekent
Iets is een eitjeHet is heel makkelijk
Twee linkerhanden hebbenOnhandig zijn met klussen
De kat uit de boom kijkenEerst afwachten hoe het gaat
Met de mond vol tanden staanNiet weten wat je moet zeggen
Ergens een punt achter zettenMet iets stoppen
Door de mand vallenBetrapt worden op een leugen

De handigste vraag voor je kind is: klopt dit letterlijk? Zo niet, dan is het waarschijnlijk een uitdrukking. Zoek dan wat de persoon bedoelt, en let op hoe iemand het zegt: blij, boos of lachend.

Woordenschat vergroten thuis: zo doe je het

Woordenschat uitbreiden hoeft geen extra huiswerk te zijn. De meeste woorden leren kinderen in gesprekken en uit boeken. Deze gewoontes helpen het meest:

  • Blijf voorlezen, ook als je kind zelf leest. In voorleesboeken staan woorden die je kind zelf nog niet leest. Onderzoek laat zien dat kinderen die meer voorgelezen worden en meer lezen, gemiddeld een grotere woordenschat hebben.
  • Praat met echte woorden. Zeg niet “dat ding”, maar “het vergiet”. Leg een woord uit als je kind het niet kent, en gebruik het later weer.
  • Vraag naar de woorden van school. Welk onderwerp heeft de klas deze week? Zoek er samen een filmpje of boek over. Zo leert je kind de woorden voordat ze in de les langskomen.
  • Speel woordspelletjes: “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet”, Pictionary, Hints of woordslang. Spelletjes zorgen voor herhaling zonder dat het als leren voelt.
  • Maak een woordenmuur op de koelkast met nieuwe woorden van deze week, met een tekening of een voorbeeldzin erbij.

Zo helpt Hippa je kind met woordenschat

  • Van woorden bij plaatjes en tegenstellingen in de onderbouw tot betekenis uit de context in de bovenbouw.
  • Woorddelen: samenstellingen, voor- en achtervoegsels, zodat je kind nieuwe woorden zelf kan ontrafelen.
  • Uitdrukkingen en figuurlijke taal in zinnen uit het dagelijks leven.
  • Bij een fout antwoord legt Hippa uit hoe je de betekenis vindt, met de aanwijzing uit de zin.
  • Het niveau groeit per vaardigheid mee. In het ouderoverzicht zie je hoe het gaat.

Maandelijks opzegbaar

Per maand

€ 6,99 per maand

Voor 1 kind. Elk extra kind € 4,99 per maand.

Start met Hippa

3 maanden gratis + gratis etui

Per jaar

€ 59,99 per jaar

Voor 1 kind. Elk extra kind € 39 per jaar.

Kies het jaar

Je betaalt met iDEAL of creditcard. Hippa werkt in de browser op tablet, laptop en computer, en als app op Android.

Veelgestelde vragen

Hoe kan ik de woordenschat van mijn kind vergroten?

Lees voor, ook als je kind zelf al leest, en praat veel met elkaar. Leg nieuwe woorden uit met een voorbeeld of plaatje en gebruik ze daarna een paar dagen vaker. Vraag welk onderwerp de klas behandelt en lees er samen iets over. Kies elke week een paar woorden en herhaal die, in plaats van lange lijsten te oefenen.

Hoeveel woorden kent een kind aan het eind van de basisschool?

Dat verschilt sterk per kind, en precieze getallen zijn moeilijk te meten. Wel is duidelijk dat de verschillen groot zijn, en dat ze vooral ontstaan door hoeveel kinderen lezen, voorgelezen worden en praten met volwassenen. Kijk daarom niet naar een getal, maar naar of je kind teksten en uitleg van school begrijpt.

Wat is de viertakt bij woordenschat?

De viertakt is een aanpak van Van den Nulft en Verhallen om een nieuw woord goed aan te leren. De vier stappen zijn voorbewerken (een context bieden), semantiseren (de betekenis uitleggen), consolideren (vaak herhalen) en controleren (later nagaan of het woord is onthouden). Veel scholen gebruiken hem, en hij werkt thuis net zo.

Mijn kind leest goed, maar begrijpt de tekst niet. Ligt dat aan de woordenschat?

Dat kan goed. Wie veel woorden in een tekst niet kent, raakt de draad kwijt, ook als het lezen zelf vlot gaat. Vraag na het lezen naar een paar woorden uit de tekst. Kent je kind ze niet, oefen dan woordenschat naast begrijpend lezen. Bespreek het ook met de leerkracht, die de toetsresultaten kan laten zien.

Vanaf welke groep moet mijn kind uitdrukkingen kennen?

Eenvoudige figuurlijke taal komt al in groep 3 en 4 aan bod. Vanaf groep 5 en 6 moeten kinderen figuurlijke taal in teksten begrijpen, en in groep 7 en 8 ook zelf gebruiken. Uitdrukkingen leer je het best in een zin of situatie, niet als los rijtje. Gebruik ze thuis gewoon in gesprekken.

Bronnen

Deze pagina is geschreven door het Hippa-team op basis van de SLO-leerlijnen en de genoemde bronnen. Laatst bijgewerkt op 20 oktober 2026. Zie je iets dat niet klopt? Mail ons via hallo@gohippa.com.

€ 6,99 per maandMaandelijks opzegbaar

Aanmelden