In het kort
- De omtrek is de rand: alle zijden bij elkaar opgeteld, in cm of m.
- De oppervlakte is het vlak: hoeveel vierkantjes erin passen, in cm² of m².
- Bij een rechthoek is de oppervlakte lengte keer breedte, en de omtrek twee keer lengte plus breedte.
- Een samengestelde figuur knip je in rechthoeken. Reken die apart uit en tel ze op.
- Bij vierkante maten is elke stap op de trap keer 100: 1 m² is 10 000 cm².
Omtrek en oppervlakte: rand en vlak
De omtrek is de lengte van de rand van een figuur. Denk aan het hek om een tuin, de lijst om een schilderij of een rondje om het voetbalveld. De oppervlakte is de grootte van het vlak binnen die rand. Denk aan het gras in de tuin, het doek van het schilderij of de vloer van je kamer.
Het verschil zie je ook aan de maat. Een omtrek is een lengte, dus in centimeters of meters. Een oppervlakte meet je in vierkante maten, zoals de vierkante centimeter (cm²) of de vierkante meter (m²). Het kleine tweetje betekent: een vierkantje van 1 bij 1. Zo kun je bij elk antwoord controleren of je de rand of het vlak hebt uitgerekend.
| Omtrek | Oppervlakte | |
|---|---|---|
| Wat meet je? | De rand, de lengte eromheen | Het vlak, hoeveel er binnenin past |
| Maat | cm, m, km | cm², m², km² |
| Bij een rechthoek | (lengte + breedte) × 2 | lengte × breedte |
| Voorbeeld thuis | Hoeveel meter plint past rond de kamer? | Hoeveel vierkante meter vloerkleed past erin? |
Een moestuin is 6 meter lang en 4 meter breed. Hoeveel meter hek staat eromheen, en hoeveel vierkante meter grond is er?
- Omtrek: loop om de tuin heen. Je komt twee zijden van 6 m en twee zijden van 4 m tegen.
- 6 + 4 + 6 + 4 = 20. Er staat 20 meter hek omheen.
- Oppervlakte: in de tuin passen 4 rijen van 6 vierkante meters.
- 6 × 4 = 24. De tuin is 24 m² groot.
De paarse rand is de omtrek, 20 m. De gele vierkantjes zijn de oppervlakte, 24 m².
Controle: Het antwoord voor de rand staat in meters, het antwoord voor het vlak in vierkante meters. Tel in de tekening de vierkantjes na: 4 rijen van 6 zijn er 24.
Zo leg je het uit aan je kind. Loop samen langs de rand van een kleed of een tegelvloer en tel de stappen. Dat is de omtrek. Leg daarna vierkante papiertjes of bierviltjes neer tot het vlak vol is en tel ze. Dat is de oppervlakte. Zo voelt je kind dat het om twee heel verschillende vragen gaat.
Van vierkantjes tellen naar lengte keer breedte
Kinderen beginnen met tellen. Op een rooster of ruitjespapier tellen ze hoeveel vierkantjes een figuur bedekt. Al snel zien ze dat het handiger kan: een rechthoek bestaat uit rijen van even veel vierkantjes. Vier rijen van zes zijn vier keer zes. Zo ontstaat vanzelf de regel: oppervlakte is lengte keer breedte. Wie de tafels goed kent, rekent dit snel uit.
SLO beschrijft dat kinderen in groep 5 en 6 de vierkante meter leren kennen, bijvoorbeeld door te onderzoeken of een tafelblad groter of kleiner is dan 1 m². Daarna komen dm², cm² en mm² erbij. In groep 7 en 8 werken ze met de formule lengte × breedte voor een tuin, een muur of een kamer, en leren ze de hectare kennen voor grote stukken land.
Oppervlakte en omtrek oefenen
Oefen omtrek en oppervlakte
Kies omtrek, oppervlakte of samengestelde figuren. Bij een fout antwoord krijgt je kind een tip die de weg wijst, niet het antwoord. Daarna zie je de rechthoek met de rand of de vierkantjes.
De rand van een rechthoek1 / 3
Kies een antwoord. Daarna zie je de uitleg.
Vierkante maten: m², dm² en cm²
Vierkante maten staan op een eigen trap: km², hm², dam², m², dm², cm², mm². Het grote verschil met de gewone lengtematen: elke trede is keer 100 in plaats van keer 10. Een vierkante decimeter is een vierkantje van 10 bij 10 centimeter. Daar passen 10 rijen van 10 vierkante centimeters in, dus 100 cm².
| Maat | Hoe groot | Om je voor te stellen |
|---|---|---|
| 1 cm² | 1 cm bij 1 cm | ongeveer het topje van je pink |
| 1 dm² | 10 cm bij 10 cm, dus 100 cm² | een klein wandtegeltje |
| 1 m² | 100 cm bij 100 cm, dus 10 000 cm² | een vierkant met zijden van een grote stap |
| 1 hectare | 100 m bij 100 m, dus 10 000 m² | ongeveer anderhalf voetbalveld |
Een tegel is 1 dm² groot. Hoeveel vierkante centimeter is dat?
- Een decimeter is 10 cm. De tegel is dus 10 cm lang en 10 cm breed.
- Er passen 10 rijen van 10 vierkantjes van 1 cm² in.
- 10 × 10 = 100. De tegel is 100 cm².
10 rijen van 10 vierkante centimeters: 100 cm² in één vierkante decimeter.
Controle: Op de trap van vierkante maten is van dm² naar cm² één trede omlaag. Een trede is keer 100, dus 1 dm² is 100 cm². Het klopt.
Zo leg je het uit aan je kind. Teken op ruitjespapier een vierkant van 10 bij 10 hokjes van een centimeter. Laat je kind eerst raden hoeveel hokjes erin passen. Veel kinderen zeggen 10. Tel dan samen de rijen. Zo ontdekt je kind zelf waarom een vierkante maat bij elke stap keer 100 gaat en niet keer 10.
Meer over de gewone trap van km tot mm, en over gewicht en inhoud, staat bij het metriek stelsel. Wie een stap verder wil, rekent met drie maten tegelijk bij inhoud berekenen.
Samengestelde figuren: knippen en plakken
Niet elke kamer of tuin is een rechthoek. Een L-vormige kamer of een tuin met een terras is een samengestelde figuur. De truc: knip de figuur in gedachten in rechthoeken, reken van elke rechthoek de oppervlakte uit en tel ze op. Soms is het makkelijker om een grote rechthoek te nemen en het stuk dat ontbreekt eraf te halen.
Een slaapkamer is 5 meter lang en 4 meter breed. Er staat een kast van 2 meter bij 1 meter. Hoeveel vierkante meter vloer is nog vrij?
- Oppervlakte van de hele kamer: 5 × 4 = 20 m².
- Oppervlakte van de kast: 2 × 1 = 2 m².
- Vrije vloer: 20 − 2 = 18 m².
De hele kamer is 20 m². Haal de kast van 2 m² eraf.
Controle: De kast neemt maar een klein stukje in. 18 m² is iets minder dan de hele kamer, dus het past.
Zo leg je het uit aan je kind. Teken de kamer op ruitjespapier, één hokje per vierkante meter, en kleur de kast in. Laat je kind de lege hokjes tellen en daarna uitrekenen met een keersom en een minsom. Komen tellen en rekenen op hetzelfde uit, dan snapt je kind waarom “groot min klein” werkt.
Let bij samengestelde figuren extra op de omtrek. Je telt alleen de buitenrand, niet de lijnen waar je de figuur hebt geknipt. Die lijnen liggen binnenin en horen dus niet bij de rand.
Oppervlakte per groep
| Groep | Wat je kind leert | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Groep 3 en 4 | Omtrek als rondje om iets heen, meten met een touwtje | Hoe lang is het touw om de tafel? |
| Oppervlakte groep 5 en 6 | Vierkantjes tellen, de m², cm² en dm², grillige figuren op een rooster | Hoeveel hokjes bedekt dit blad? |
| Oppervlakte groep 7 en 8 | Lengte keer breedte, samengestelde figuren, hectare, omrekenen | Een tuin van 12 bij 8 meter, hoeveel m²? |
Oppervlakte en omtrek komen vaak voor in redactiesommen: hoeveel tegels heb je nodig, hoeveel meter hek, hoeveel verf voor een muur? Ook in de doorstroomtoets van groep 8 hoort meten bij het rekendeel. Wie op een kaart afstanden meet, gebruikt schaal berekenen.
Veelgemaakte fouten, en hoe je helpt
- Omtrek en oppervlakte verwisselen. Vraag bij elke som: “Zoek je de rand of het vlak?”
- Maar twee zijden optellen. Bij een omtrek tel je alle vier de zijden. Lengte plus breedte is pas de helft.
- De maat vergeten. 24 is geen antwoord. Is het 24 m of 24 m²? Het tweetje vertelt wat je hebt uitgerekend.
- Keer 10 bij vierkante maten. Een m² is geen 100 cm², maar 10 000 cm². Teken het vierkantje als je twijfelt.
- Verschillende maten door elkaar. Een kamer van 4 m bij 250 cm: maak eerst beide maten meter of beide centimeter.

Zo helpt Hippa bij omtrek en oppervlakte
- Omtrek en oppervlakte van rechthoeken, eerst met hokjes en daarna met lengte keer breedte.
- Samengestelde figuren: de buitenrand en de oppervlakte van L-vormen en uitsparingen.
- Vierkante maten met een model, zodat je kind ziet waarom 1 dm² 100 cm² is.
- Kiezen wat je meet: de rand, het vlak of de ruimte.
- Bij een fout eerst de vraag “rand of vlak?”, zonder het antwoord voor te zeggen.
Maandelijks opzegbaar
Per maand
€ 6,99 per maand
Voor 1 kind. Elk extra kind € 4,99 per maand.
Start met Hippa3 maanden gratis + gratis etui
Per jaar
€ 59,99 per jaar
Voor 1 kind. Elk extra kind € 39 per jaar.
Kies het jaarJe betaalt met iDEAL of creditcard. Hippa werkt in de browser op tablet, laptop en computer, en als app op Android.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen omtrek en oppervlakte?
De omtrek is de lengte van de rand rond een figuur, zoals het hek om een tuin. De oppervlakte is de grootte van het vlak binnen die rand, zoals het gras in de tuin. De omtrek meet je in cm of m, de oppervlakte in vierkante maten zoals cm² of m².
Hoe kun je oppervlakte berekenen van een rechthoek?
Je doet lengte keer breedte. Een kamer van 5 meter lang en 4 meter breed is 5 × 4 = 20 m². Dat komt doordat de rechthoek bestaat uit rijen van even grote vierkantjes. Vier rijen van vijf vierkante meters zijn twintig vierkante meters.
Hoe kun je de omtrek berekenen?
Je telt de lengtes van alle zijden bij elkaar op. Bij een rechthoek van 7 bij 3 cm is dat 7 + 3 + 7 + 3 = 20 cm. Je kunt ook lengte plus breedte doen en dat keer 2. Bij een samengestelde figuur tel je alleen de buitenrand.
Hoeveel cm² is een m²?
Een vierkante meter is 10 000 cm². Een m² is een vierkant van 100 bij 100 centimeter, en 100 rijen van 100 vierkante centimeters zijn er 10 000. Op de trap van vierkante maten is elke trede keer 100. Van m² naar cm² zijn het twee treden: keer 100 en nog eens keer 100.
In welke groep leer je oppervlakte berekenen?
In groep 5 en 6 tellen kinderen vierkantjes en leren ze de vierkante meter en de vierkante centimeter. In groep 7 en 8 rekenen ze met lengte keer breedte, met samengestelde figuren en met grotere maten zoals de hectare. De precieze volgorde hangt af van de rekenmethode van de school.
Wat kost Hippa?
Hippa kost € 6,99 per maand voor één kind en is maandelijks opzegbaar. Met een jaarabonnement betaal je € 59,99 per jaar (3 maanden gratis). Een extra kind kost € 4,99 per maand. Je kind oefent omtrek en oppervlakte, en daarnaast tafels, breuken, lezen en spelling, op het eigen niveau.
Bronnen
- SLO, TULE rekenen-wiskunde kerndoel 33: meten en rekenen met eenheden en maten
- SLO, TULE rekenen-wiskunde kerndoel 32: eenvoudige meetkundige problemen
- SLO, Tussendoelen rekenen-wiskunde po (2017)
Deze pagina is geschreven door het Hippa-team op basis van de SLO-leerlijnen en de genoemde bronnen. Laatst bijgewerkt op 21 oktober 2026. Zie je iets dat niet klopt? Mail ons via hallo@gohippa.com.


